zoveel plaatsen. Zoveel namen. Zoveel huizen en rotsen. Zoveel krijsende meeuwen die boven je schommelen, bedelend om een stuk brood. Een huis aan een rand van de wereld. Wat kleine rotsen achter het huis en daar ook het water. Het koele, donkere water. Ze zit er elke dag in. Ook al is het nog zo koud die zomer. Ze ontkleedt zich en laat zich in het koele water zakken. Ze dompelt zich elke dag onder en doopt zo zichzelf opnieuw. Elke dag. De koele stenen onder haar voeten zijn groen en glibberig. Ze moet oppassen niet uit te glijden. De anderen kijken naar haar maar doen niet mee met het ritueel. Daar, op de rand van de wereld. Daar, waar elke dag die dikke koe voor het huis staat te grazen, daar, waar de zorgen van haar afglijden en haar herinneringen weggespoeld worden, daar neemt ze elke dag een bad in de zee
de zee is koel en blauw en wacht op jou
de zee was er altijd en zij was altijd bij de zee. Ze zwom erin, als een vis. Ze spatte en zwiepte door het water en keek naar haar eigen voeten, haar tenen en naar het groene wier waar ze soms doorheen moesten zwemmen, wat dreigend en glibberig langs haar benen kronkelde, wat haar bang maakte en wat haar plezier deed tegelijkertijd. Die zee was overal. Waar ze ook kwam. Met wie ze ook was. Met de hond of met haar vriendin of met haar familie. De zee hoorde bij haar leven. Toen ze uit de zee van haar moeder gleed lag er gewoon een andere zee op haar te wachten
we waren bij de zee en ik was in de zee. Haar randen sloegen om als kleine trapezewerkers, koortsachtig balancerend op het koord en dan de lichte sprong naar de veilige trap, dan de omslag van spanning naar ontspanning, dan het water dat op het hoogste punt omslaat en zichzelf naar beneden laat vallen in een wijde, ronde boog en uiteenvloeit in al het andere water. En het rolt maar door, rolt maar door, rolt maar door. Houdt nooit op, stopt nooit, laat zichzelf steeds in zichzelf terugkeren. Dat water dat rolt en uiteenvloeit en even verderop weer rolt en uiteenvloeit en zo de hele kust langs steeds maar weer rolt en uiteenvloeit. Het water was donkerblauw dit keer. De kleur van kolen en lucht door elkaar gemengd. Met het zacht wit van het schuim dat uiteenspettert als de roller zich naar beneden laat glijden. Dat glijden, dat is het. De spanning van de boog die beweegt, de spanning van de beweging, de spanning van de beweging die nooit stopt. In de buik van de golf zitten en daar steeds weer heengaan, steeds weer die buik opzoeken en nooit de trilling van dat water willen vergeten en daar eeuwig willen lopen en eeuwig naar de rolling van de golven willen kijken. En altijd dat geluid. Het geluid van de aanrollende golven. Het geluid van een zachte motor die steeds andere toeren heeft, het geluid van duizenden bromvliegen, die steeds maar door vliegen. Het geluid van de zee zelf, zich zacht verheffend uit zichzelf en terugkerend naar zichzelf, dat geluid waar je langs wandelt en wat je niet meer hoort en dan tot je terug keert en wat je mist als je de duinen inwandelt en je afkeert van die grote golvenmassa waar het vlakke blauw als een belofte achter ligt
mijn gedachten zijn als de zee.
Op en neer, heen en weer. Wie reist er mee?
Mijn gedachten zijn de zee